
We plakken te veel en begrijpen te weinig; waarom wij hulpverleners aan zet zijn in het debat over classificeren
In elke basisschoolklas zitten statistisch gezien ongeveer twee kinderen met de classificatie ADHD. Volgens schattingen voldoet 5,3 procent van de kinderen en jongeren aan de kenmerken van ADHD. In de praktijk lijkt dat aantal echter nog hoger, mede doordat druk of impulsief gedrag al snel wordt geïnterpreteerd als ADHD.
Als orthopedagogen in de ggz merken wij dat ouders zich steeds vaker aanmelden met de vraag: ‘Wat heeft mijn kind?’ In hun zoektocht naar duidelijkheid wordt vaak gekeken naar ontwikkelingsstoornissen zoals ADHD.
Het gebruik van labels, ofwel classificaties, zoals ADHD is in de loop der tijd verschoven van een hulpmiddel naar een verklaring. Zinnen als ‘Hij kan zich niet concentreren, want hij hééft ADHD’ klinken vertrouwd, maar zijn misleidend. Een classificatie is namelijk geen oorzaak, maar een beschrijving van gedragssymptomen.
Risico’s
Deze manier van spreken is om meerdere redenen problematisch. Allereerst bestaat het risico dat de context uit beeld raakt: de invloed van de thuissituatie, schoolomgeving en stressfactoren op het gedrag van een kind. Daarnaast wordt het kind vaak gereduceerd tot de classificatie, terwijl ieder kind uniek is in zijn behoeftes en mogelijkheden.
Juist daarom ligt hier een belangrijke taak voor ons als hulpverleners. Niet de classificatie moet centraal staan, maar het begrijpen van de onderliggende verklaringen van gedrag. Alleen dan kunnen we aansluiten bij wat een kind werkelijk nodig heeft.
Gedrag begrijpen
Wanneer een kind wordt aangemeld met concentratieproblemen, is de verleiding groot om te denken in termen van ADHD. Toch schuilt de kern van hulpverlening niet in het benoemen van gedrag, maar in het begrijpen ervan. Waarom raakt dit kind zo snel afgeleid in de klas? Is de lesstof te moeilijk en heeft het extra instructie nodig? Of is er sprake van een vechtscheiding en zit het kind met zijn gedachten thuis? Dit voorbeeld laat zien dat concentratieproblemen uiteenlopende oorzaken kunnen hebben, die niet altijd te herleiden zijn tot een aandachtstekort. Ook al lijkt het gedrag te voldoen aan de criteria van ADHD, een classificatie is in zulke gevallen misplaatst. Er wordt voorbijgegaan aan de onderliggende problematiek en de ondersteuningsbehoeften van het kind.
Zijn er dan geen voordelen van classificaties? Jazeker, de DSM-5 classificatie biedt een gemeenschappelijke taal voor professionals en ouders en geeft richting aan de aanpak. Juist hierin schuilt ook een risico. Zodra we een classificatie stellen, verschuift de aandacht vaak naar het kind als drager van het probleem. De omgeving – ouders, leerkrachten, klasgenoten – raakt uit beeld. Daarmee verliezen we zicht op de wederzijdse beïnvloeding die juist zo bepalend is voor gedrag.
Een classificatie blijft vaak kleven
Bovendien heeft een classificatie geen levenslange status. Hoogleraar Sarah Durston (UMC Utrecht) benadrukt dat ongeveer een derde van de kinderen in de puberteit niet langer voldoet aan de criteria van een classificatie. Toch blijft de classificatie vaak kleven, ook in het denken van de omgeving en soms ook in het zelfbeeld van het kind. Dat roept vragen op over hoe zorgvuldig we omgaan met het toekennen én behouden van classificaties, zeker bij jonge kinderen die nog volop in ontwikkeling zijn.
Dat betekent dat wij als hulpverleners meer moeten doen dan enkel vaststellen hoe we het gedrag noemen. We hebben de verantwoordelijkheid om samen met ouders, school en kind te onderzoeken wat ten grondslag ligt aan gedrag en wat er nodig is, alsook uit te leggen wat een classificatie wél en niet betekent. Dat vraagt om samenwerking tussen disciplines en om ruimte voor reflectie in plaats van snelle duiding.
Wanneer we niet alleen benoemen wat er aan de hand is, maar ook waarom, ontstaat een vollediger beeld van het kind – niet als drager van een stoornis, maar als individu in ontwikkeling binnen een systeem. Juist dáár ligt vaak de sleutel tot echt passende hulp.
Tekst: Joanne Hoevenaren, werkzaam in de GGZ en onderwijs, José Nijenhuis, werkzaam in de specialistische GGZ. Joanne en José zijn beiden Orthopedagoog in opleiding tot Orthopedagoog-Generalist.