
In flexibel mbo-onderwijs mag de klas als belangrijke leergemeenschap niet vergeten worden
Het mbo wordt steeds flexibeler. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) stimuleert scholen om studenten meer ruimte te geven hun eigen route te volgen. Opleidingen worden modulair ingericht en studenten krijgen meer mogelijkheden om in eigen tempo te studeren of op verschillende momenten in te stromen. Zo moet het onderwijs beter aansluiten bij persoonlijke omstandigheden en bij de vraag van de arbeidsmarkt.
Die flexibilisering is begrijpelijk. Niet iedere student leert op dezelfde manier of in hetzelfde tempo. Maar er dreigt ook iets te verdwijnen wat voor veel studenten minstens zo belangrijk is: de klas als plek om bij te horen.
Sociale binding onder druk
Wanneer studenten steeds vaker door verschillende groepen, modules en leeromgevingen bewegen, wordt het contact met vaste medestudenten minder vanzelfsprekend. Daarmee komt sociale binding onder druk te staan. Dit risico wordt ook benoemd in onderzoek Flexibel onderwijs in het mbo: Wat is er nog meer voor nodig?, verkennend onderzoek naar effecten, succesfactoren en uitdagingen voor meerdere instroommomenten in het mbo in opdracht van het ministerie van OCW (van Dianne Prinsen (2025). Flexibilisering kan leiden tot minder sociale cohesie, minder samenwerking, minder interactie met medestudenten, gevoelens van isolatie en minder verbondenheid met de opleiding. Daardoor kunnen motivatie en betrokkenheid afnemen, vooral bij jongeren die toch al kwetsbaar zijn.
Neem een zestienjarige student die net van het vmbo komt. Daar was hij gewend aan een duidelijke structuur en een vaste klas. Op het mbo verandert dat. Elke les zit hij in een andere samenstelling van studenten. Steeds opnieuw moeten verhoudingen worden bepaald en groepsprocessen worden doorlopen: van aftasten tot samenwerken. Ook docenten bevinden zich in die wisselende context. Zij hebben niet altijd de tijd, ruimte of vaardigheden om die groepsprocessen goed te begeleiden. Langzaam begint de student zich eenzaam te voelen. Hij kent wel veel gezichten, maar hoort nergens echt bij. De binding met de opleiding blijft zwak. In januari stopt hij met zijn studie en gaat hij werken, zonder startkwalificatie.
Deze ontwikkeling heeft dus ook een keerzijde. Wanneer het contact tussen student, docent en klasgenoten minder vanzelfsprekend wordt en de sociale binding vermindert, kan dat gevolgen hebben voor het mentaal welbevinden. Juist voor kwetsbare studenten kan het ontbreken van een stabiele groep en herkenbare structuur leiden tot onzekerheid, stress en een groter risico op uitval.
Onderdeel blijven van een herkenbare groep
Daarom is het van belang dat beleidsmakers en onderwijsontwikkelaars expliciet oog houden voor sociale binding. Ook binnen flexibele leerroutes moeten studenten onderdeel kunnen blijven van een herkenbare groep of lerende gemeenschap. De inrichting van onderwijs raakt immers niet alleen aan leeropbrengsten, maar ook aan houvast, veiligheid en het gevoel ergens bij te horen.
Tegelijkertijd is flexibilisering wel van belang. Het kan bijdragen aan beter maatwerk en meer autonomie voor studenten, en daarmee aan een betere aansluiting op de arbeidsmarkt. Maar wanneer deze flexibiliteit ten koste gaat van sociale binding, ontstaat er een spanningsveld en komt ook die aansluiting met de arbeidsmarkt onderdruk.
“Zonder relatie geen prestatie”, stelt Rutger Kappe, lector bij Hogeschool Inholland. Volgens de zelfdeterminatietheorie van Edward Deci en Richard Ryan is verbondenheid, naast autonomie en competentie, een psychologische basisbehoefte. Onderzoek van onder meer Louise Elffers en Rutger Kappe laat zien dat binding met de opleiding, medestudenten en docenten belangrijk is voor motivatie, studieprestaties en het voorkomen van uitval. Studenten die zich verbonden voelen, ervaren meer houvast en steun. Daardoor durven zij eerder hulp te vragen wanneer dat nodig is.
In een tijd waarin het mentaal welbevinden van jongeren al onder druk staat, krijgen de mogelijke nadelen van flexibilisering extra gewicht. Juist dan is het belangrijk dat school een sociale omgeving blijft die houvast biedt. Wanneer die omgeving door wisselende groepen, modules en leeromgevingen minder vanzelfsprekend wordt, kan flexibilisering onbedoeld bijdragen aan een verdere afname van welzijn.
Bewuste keuzes bij inrichting onderwijs
De vraag is dus niet óf het mbo flexibeler moet worden, maar hoe flexibilisering en sociale binding samen kunnen gaan. Voor beleidsmakers en onderwijsontwikkelaars ligt hier een belangrijke afweging: hoe kan ruimte voor maatwerk samengaan met het bieden van een omgeving waarin studenten zich onderdeel voelen van een geheel? Het antwoord daarop zal niet eenduidig zijn, maar vraagt wel om heel bewuste keuzes in de inrichting van het onderwijs.
Tekst: Carola van den Bos, orthopedagoog in opleiding tot generalist, werkzaam in het mbo.