Jannes: “Schotten tussen onderwijs en zorg vervagen”

Ondersteuning door orthopedagogen in het onderwijs wordt tegenwoordig dichterbij georganiseerd, orthopedagogen komen in dienst van het bestuur waaronder de scholen vallen. “Dan is zaak dat je je neutraliteit, objectiviteit, meervoudige partijdigheid kunt behouden. En dat je bijvoorbeeld bepaald leerkrachtgedrag in je analyse ook als belemmerende factor kunt blijven benoemen”, aldus Jannes de Vries.

 

Jannes heeft een rijke loopbaan. Na de PABO stond hij 15 jaar voor de klas voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden. En na vakstudie “buitengewoon” onderwijs aan het Seminarium voor Orthopedagogiek stapte hij over naar de Stichting Pedagogisch Onderwijs (MO A en B) te Groningen. Naast een volledige baan bleef hij studeren, zo stoomde hij door naar de RU Groningen en rondde daar cum laude de studie orthopedagogiek af. Vanaf 1991 vervulde hij diverse functies, o.a. intern begeleider, interim directeur, lid van regionale verwijzingscommissie en nascholingsdocent.

 

Nu is Jannes voornamelijk werkzaam voor de Vereniging Christelijk Primair Onderwijs Noord – Groningen, onder dit bestuur vallen 15 basisscholen: met in totaal zo’n 1500 leerlingen. Daarnaast is hij lid van de integrale werkgroep Passend Onderwijs van het SWV PO Provincie Groningen en Noorderveld Drenthe en praktijkbegeleider van studenten van de RUG Pedagogische Wetenschappen.

 

Volle werkweek

 

Bij deze vereniging is Jannes aangesteld als orthopedagoog in het bovenschools onderwijs- ondersteuningsteam (BOOT). Hoe ziet zijn werkweek er uit?

 

“Op maandagochtend 07.45 rij ik naar één van de scholen op het prachtige Hogeland van Noord – Groningen. Ik woon in Eenrum en ons bestuurskantoor staat in Winsum, onze scholen staan rondom mijn woonplaats en naast Winsum nog in 13 andere dorpen. Deze ochtend staat er een onderzoek gepland naar leer- onderwijsproblemen. Dat kan zijn een intelligentieonderzoek, een onderzoek naar een specifieke leerstoornis in de vorm van bijvoorbeeld dyslexie. Maar kan ook een observatie zijn van een leerling of een groep.
Rond 11.00 ga ik naar het stafkantoor in Winsum om de gegevens te verwerken. In het stafkantoor hebben wij – mijn studenten, andere medewerkers van het BOOT en ik – een mooie werkplek, een eigen (bescheiden) bibliotheek en een orthotheek met materiaal om in te zetten tijdens interventies. Daarnaast een flink aantal toetsen en testen voor diagnostisch gebruik, zoals de BRIEF en de WISC V. Na de lunch is er het wekelijkse afstemmingsoverleg van de staf met de bestuurder. De staf bestaat uit een beleidsmedewerker onderwijs, coördinator ICT, PR & Communicatie en de medewerker P&O. Vervolgens kan de verslaglegging verder worden afgerond.

 

Op de dinsdag sluit één van mijn beide stagiaires bij me aan, de ander doet interventies op de scholen. Er staat op de ochtend een onderzoek gepland, dat we samen uitvoeren. Op de dinsdag is er meestal een overleg gepland, intern of extern. Aan het einde van de dag is er overleg met een collega orthopedagoog (zij voert op deze dag interventies uit op de scholen) over haar bevindingen.

 

Op de woensdag plan ik veelal een observatie of een beperkt onderzoek op de ochtend en ’s middags is er plaats voor oudergesprekken, meestal naar aanleiding van een onderzoek.

 

Donderdag wisselen de stagiaires van plaats en op de ochtend zijn we op pad op een onderzoek te doen. Rond 11.00 ben ik terug op kantoor: zaken uitwerken en in de middag na de gebruikelijke lunch ouders spreken en elkaar spreken: in de vorm van voortgang of intervisie met collega’s in de regio.

 

Vrijdag is de uitwerkdag van zaken die zijn blijven liggen deze week: gemiddeld zijn er wekelijks tussen 80 en 100 mailverzoeken, deels ter informatie en deels met de vraag om een reactie. Verder is de vrijdag gereserveerd om werk voor het SWV te doen, eens per maand komt de werkgroep bijeen en worden diverse thema’s uitgewerkt.”

 

Critical friend


Vanaf 2012 wordt “zorg en begeleiding” dichtbij de scholen georganiseerd. Voor die tijd werkte de vereniging met een onderwijsbegeleidingsdienst. Uitgangspunt is ondersteuning bieden daar waar nodig: dichtbij de leerlingen, de school en de ouders. Jannes heeft daarbij het volste vertrouwen van zijn bestuurder die aangeeft “als jij vindt dat het nodig is, gaan we het doen”.  Jannes: “Juist vanuit dat vertrouwen kan ik mijn werk doen: laagdrempelig, zowel figuurlijk als letterlijk spreek ik de taal van de omgeving. Als orthopedagoog maak ik echt onderdeel uit van het systeem school en word ook niet gezien als een externe deskundige maar als meedenkende collega en soms als critical friend.
We bieden de intern begeleiders van de school en de leerkrachten handvatten om leerlingen die ondersteuning nodig hebben te voorzien van handelingsgerichte en uitvoerbare adviezen. Dichtbij, uitvoerbaar, korte lijnen en vertrouwd.”

 

Het verhaal van Ernst

 

Ernst Hovinga (niet zijn echte naam) is een jongen van 11 jaar die in groep 8 zit van de basisschool. De school komt er niet uit wat betreft het advies naar het VO. Er zijn leerachterstanden op meerdere domeinen, het welbevinden is laag, de motivatie is erg gering en het perspectief is BBL met LWOO. Hij heeft er geen zin meer in en geeft de moed op. De ouders zijn erg betrokken en willen het meest passend voor hun kind. Zij denken echter in de omgang met hun kind dat hij niet gelukkig zal zijn in deze vorm van onderwijs en dat het niet past bij wat zij zien.

 

Jannes: “We besluiten om een onderzoek te doen naar zijn cognitieve mogelijkheden. Daaruit blijkt dat hij een boven gemiddeld IQ heeft. Als ik met Ernst in gesprek kom, geeft hij blijk van een zeer gering zelfvertrouwen: “Ik kan het toch niet, ik ben dom.” Wanneer ik hem de resultaten van het onderzoek uitleg, is hij ontroerd en tegelijkertijd boos. Uit de analyse blijkt dat zijn ouders al eerder hadden aangegeven het beeld van hun zoon, geschetst door de school, niet te herkennen.” Uit vervolgonderzoek stelt Jannes vast dat er sprake is van ernstige dyslexie. Niet tijdig onderkend en met alle gevolgen voor het welbevinden van Ernst.

 

Met Ernst is het uiteindelijk goed gekomen hij heeft een plek gevonden in de theoretische leerweg van een school voor VSO. De ouders wezen toen gelijk op het zusje Roos, leerling van groep 6. Zij vertoonde hetzelfde beeld en is eveneens onderkend als een leerling met dyslexie, zij heeft de inzet en motivatie kunnen behouden. In laatste week van de zomervakantie, het jaar waarin Roos was uitgestroomd naar het VO, ging de deurbel. Jannes: “Voor de deur stonden Roos en haar moeder. Roos met het boek dat ze voor ‘t eerst in het geheel had uitgelezen en haar het leesplezier had bezorgd wat ze eerder zo miste. Zij gaf mij dit boek en haar moeder zei tegen mij: “Bedankt Jannes, jij hebt mijn gezin gered!”

 

Handelingsverlegenheid

 

Het aantal leerlingen in specialistische voorzieningen (SBO / SO) neemt weer fors toe. Jannes maakt zich zorgen. “In mijn werkgebied zijn diverse scholen voor SBO en SO Cluster 4 vol verklaard. Houden de basisscholen vervolgens de leerlingen niet te lang vast? Durven ze handelingsverlegenheid toe te geven? En wordt het begrip zorgplicht wel door een ieder evengoed begrepen?” Jannes maakt zich ook zorgen over de rechtmatige besteding van de middelen: komt het wel terecht bij de leerlingen waarvoor het is bedoeld? Is Passend Onderwijs dan toch een verkapte bezuinigingsmaatregel?”

 

Meer professionele dialoog

 

Heel positief vindt hij de trend dat zorg en het onderwijs meer gaan samenwerken, dat de schotten vervagen en er meer sprake is van een professionele dialoog. Jannes: “In mijn huidige werk benadruk en ontwikkel ik met name samenwerking tussen de diverse denominaties wat betreft onderwijs in onze regio. Zo is er nu een gezamenlijke taalklas voor zij- instromers, een praktijkklas voor leerlingen groep 8 die uitstromen naar Praktijkonderwijs, gezamenlijk deelname aan Playing for Success en toenadering om te komen tot één regionaal expertise team in Noord-Groningen.  Daarnaast zoeken we samen naar een goede afstemming met de partners uit de zorg, de gemeenten.” Ook de veranderende plek van diagnostiek, veel minder gericht op indicatiestelling of labelen maar meer handelingsgericht, vindt Jannes positief. “O.a. door de keuze van onderzoeksmateriaal spelen we daar op in!”

 

About the Author /

j.smeets@nvo.nl

Alle artikelen