
Thuiszitten is zelden een individueel probleem
Op 6 maart 2026 vond bij Avans Hogeschool in Breda de Thuiszittersbeurs plaats. Daar heeft onder meer Iris Kok, een 18-jarige jongere die via Instagram haar ervaringen deelt, haar verhaal gedaan. Zij behoort tot de groep zogenoemde ‘thuiszitters’: leerplichtige kinderen en jongeren die langer dan vier weken aaneengesloten niet naar school gaan. Soms staan zij nog ingeschreven op een school, soms niet. Redenen lopen uiteen van psychische klachten en een ervaren gebrek aan passend onderwijs tot onveilige situaties op school.
Volgens het rapport ‘Thuiszitters tellen 2024’ van Oudervereniging Balans zitten minimaal 70.000 kinderen in Nederland drie maanden of langer thuis, en zijn 280.000 kinderen verstoken van volwaardig onderwijs. Het aantal thuiszitters stijgt jaar op jaar. Dat roept vragen op over de inrichting van het systeem zelf.
Als orthopedagoog in het speciaal onderwijs zie ik hoe ingrijpend het is wanneer een kind thuis komt te zitten. Voor het kind zelf, maar ook voor ouders, die vaak al lange tijd zoeken naar hulp, duidelijkheid en perspectief. Juist dan mag een leerling niet uit beeld verdwijnen. Scholen hebben daarin een belangrijke rol, en die rol moeten wij ook nemen. Tegelijkertijd moet verantwoordelijkheid samengaan met invloed en juist daar wringt het. Scholen blijven verantwoordelijk voor leerlingen die niet of nauwelijks nog naar school kunnen komen, maar hebben beperkte mogelijkheden om zelf passende zorg te organiseren. Zij mogen meestal niet zelfstandig de ondersteuning inzetten die nodig is om terugkeer naar onderwijs mogelijk te maken.
Samenwerking is nodig, maar ook kwetsbaar
Rond één kind zijn vaak meerdere partijen betrokken: ouders, school, leerplicht, het samenwerkingsverband en gemeentelijke zorg. Die samenwerking is nodig, maar ook kwetsbaar. Wanneer informatie, afspraken en verantwoordelijkheden over meerdere partijen verdeeld zijn, wordt het voor ouders en kind al snel onduidelijk wie waarvoor aan zet is. Daarnaast leidt gedeelde verantwoordelijkheid vaak tot passiviteit en een gebrek aan eigenaarschap.
Daardoor gaat kostbare tijd verloren. Kinderen bouwen steeds grotere didactische achterstanden op, wat terugkeer naar onderwijs bemoeilijkt. Het gaat echter niet alleen om leerachterstanden: ook schoolse routines verdwijnen, het vertrouwen in school neemt af en de drempel om opnieuw te beginnen wordt steeds hoger.
Het is daarom belangrijk dat er betere afstemming tussen betrokken partijen en een centrale regie komt. Via een vaste stuurgroep waarin samenwerkingsverbanden, bureaus Leerrecht en gemeentelijke jeugdteams samen optrekken, waarin duidelijk is wie de regie voert, wie welke verantwoordelijkheid heeft en wanneer er een besluit moet worden genomen, komt er meer overzicht, snellere besluitvorming en een duidelijker perspectief voor het kind.
Neem Freek, tien jaar oud. Hij bezoekt al drie jaar geen school meer, maar gaat naar een zorgboerderij en werkt daar één uur per dag in werkboeken die door school worden aangeleverd. Zijn niveau ligt rond eind groep 3, terwijl zijn leeftijdsgenoten in groep 6 zitten. Plaatsing in een lagere groep past niet bij zijn leeftijd, maar aansluiting bij zijn peers is didactisch nog niet haalbaar. Elke maand zonder passende onderwijsplek vergroot de afstand tot reguliere deelname. Maar het lukt de betrokken partijen niet om deze plek te creëren voor Freek.
Soms wordt gezegd dat niet ieder kind binnen het Nederlandse onderwijssysteem past. Dat kan waar zijn: voor sommige kinderen is een gewone schooldag, een volle klas of een standaard rooster tijdelijk of langdurig niet haalbaar. Juist dán moeten onderwijs en zorg samen bepalen welke vorm van onderwijsdeelname wél mogelijk is. Het risico bestaat dat ‘niet passend’ een eindpunt wordt, terwijl het een startpunt zou moeten zijn voor andere vormen van onderwijsdeelname.
Uit onderzoek blijkt dat de duur van het thuiszitten een belangrijke factor is die voorspelt of deelname aan onderwijs weer gaat lukken: hoe langer een kind niet deelneemt aan onderwijs, hoe lastiger het wordt om weer aan te haken. Achterstanden stapelen zich op en het vertrouwen in school neemt af.
Er moet wat gebeuren. De gevolgen voor deze kinderen reiken verder dan hun schooltijd. Kinderen die langdurig geen onderwijs volgen, beginnen hun volwassen leven vaak met een aanzienlijke achterstand. Dat verkleint de kansen op werk en zelfstandigheid en vergroot de kans op langdurige afhankelijkheid van ondersteuning.
Centrale regie
Kortom, laten we niet voor ieder thuiszittend kind opnieuw het wiel uitvinden maar zorgen voor centrale regie waarin onderwijs en zorg gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen. Niet om verantwoordelijkheden van scholen, ouders of gemeenten over te nemen, maar om te voorkomen dat die verantwoordelijkheden langs elkaar heen blijven bestaan. Een kind dat niet in het bestaande systeem past, heeft geen behoefte aan nog meer onduidelijkheid over wie aan zet is. Het heeft volwassenen nodig die samen blijven zoeken naar een vorm van onderwijs die wél mogelijk is.
Tekst: Yordi Litjens werkt in het onderwijs en is in opleiding tot orthopedagoog-generalist.