
Dit meisje was slachtoffer van kindermarteling, benoem dat
Bij het ‘meisje van Vlaardingen’ is niet kindermishandeling, maar kindermarteling het juiste woord. Dat onderscheid doet er toe! Leony Coppens stond op 10 november 2025 met haar opiniestuk in Trouw.
In november stonden in Rotterdam de pleegouders van het Vlaardingse meisje terecht. Volgens het Openbaar Ministerie werd het tienjarige kind maandenlang vastgebonden, opgesloten en zwaar mishandeld. Ze had botbreuken, littekens en hersenletsel, en functioneert nu op het niveau van een peuter. De Inspecties Jeugdzorg en Gezondheidszorg concludeerden eerder dat de hulpverlening ‘ernstig tekortgeschoten’ is en dat het meisje ‘onvoldoende gehoord en gezien’ werd. Ze leefde geïsoleerd, ging niet meer naar school en werd niet geloofd toen ze vertelde wat er gebeurde.
De zaak is schokkend, maar niet uniek. In mijn ogen is dit geen ‘gewone’ kindermishandeling, maar een geval van child torture – kindermarteling. Een term die in Nederland nauwelijks wordt gebruikt, maar in de Verenigde Staten al jaren erkend is als de meest extreme en systematische vorm van kindermishandeling. In meerdere staten is het zelfs als afzonderlijk delict in de wet opgenomen. Er wordt onderzoek gedaan, er bestaan duidelijke criteria en professionals leren deze patronen herkennen.
In Nederland doen we dat niet. We gebruiken algemene termen als ‘ernstige kindermishandeling’, maar missen daardoor de specifieke kenmerken die bij child torture horen: langdurige isolatie, vernedering, het onthouden van voedsel of medische zorg, controle over slaappatronen, en het straffen van het kind wanneer het probeert te praten. Niet in een uitbarsting van woede of machteloosheid, maar in een doelgericht en langdurig systeem van onderwerping. Daders gebruiken vaak ‘discipline’ als excuus en weten hun omgeving te misleiden. Juist dat maakt deze vorm van geweld zo moeilijk te herkennen.
Kinderen die niet worden geloofd
In vrijwel alle internationaal onderzochte zaken van child torture vertellen kinderen op enig moment wat hen overkomt. Ze zoeken hulp. Maar hun verhalen worden vaak niet geloofd. Verwondingen krijgen onlogische verklaringen; hun gedrag wordt uitgelegd als aandachttrekken of ‘problemen door trauma’. In Vlaardingen gebeurde precies dat. Dat ongeloof is misschien wel de dodelijkste fout die gemaakt kan worden. In ruim een derde van de Amerikaanse gevallen van child torture overlijdt het kind aan de gevolgen van het misbruik.
Wat in de internationale literatuur opvalt, is dat deze extreme vorm van mishandeling relatief vaak voorkomt bij kinderen die niet meer bij hun biologische ouders wonen: pleegkinderen, adoptiekinderen of kinderen die in instellingen verblijven. Dat betekent niet dat pleegouders of hulpverleners per definitie verdacht zijn – verre van. De overgrote meerderheid zet zich met liefde en toewijding in. Maar het laat zien dat kinderen die afhankelijk zijn van de zorg van vreemden extra kwetsbaar zijn. Het misbruik wordt dan makkelijker verborgen.
Sommigen vinden de term child torture te zwaar. Maar door het te onderscheiden van ‘gewone’ kindermishandeling, erkennen we dat dit een andere orde van wreedheid betreft. Het gaat niet alleen om fysieke pijn, maar om een systematisch ontmenselijkingsproces dat het zelfbeeld en vertrouwen van een kind verwoest. Wie het niet wil benoemen, loopt het risico het niet te zien.
Allereerst: geloof het kind
Wat er nodig is, allereerst, is dat we kinderen geloven. Als een kind vertelt dat het wordt opgesloten, uitgehongerd, geslagen of vernederd, dan is dat niet zomaar een signaal – het is een alarmsignaal. Daarnaast is meer onderzoek nodig. In Nederland bestaat geen enkele wetenschappelijke publicatie over child torture, terwijl we weten dat ernstige, langdurige mishandeling voorkomt. En er is behoefte aan scholing. Professionals in de jeugdzorg, pleegzorg, gezondheidszorg en het onderwijs moeten leren de patronen te herkennen die bij child torture horen.
De rechtszaak in Vlaardingen zou ons wakker moeten schudden. Misschien is dit onderwerp te pijnlijk, te confronterend. Maar juist dat ongemak is een teken dat we niet langer mogen wegkijken. We hoeven niet te wachten tot de volgende inspectie concludeert dat een kind ‘onvoldoende is gehoord en gezien’. We kunnen vandaag beginnen met luisteren.
Tekst: Leony Coppens is orthopedagoog, klinisch psycholoog en psychotraumatherapeut.
Dit artikel is eerder gepubliceerd in Trouw.