
Wat Joep echt nodig had, stond niet in de verwijsbrief
Het Amsterdams Manifest Energiek en Impulsief, opgesteld door diverse jeugd- en zorgprofessionals heeft landelijk nog weinig aandacht gekregen. Op 19 september 2025 ondertekende wethouder Marjolein Moorman dit manifest. De kern luidt: “Laten we gedrag écht begrijpen, zodat (laagdrempelige) aanpassingen in de omgeving van het kind in beeld komen, in plaats van een diagnose’’. Het manifest pleit voor minder automatisme in diagnosticeren en meer aandacht voor context, aanpassing en samenwerking.
Die beweging klinkt overtuigend, maar is in de praktijk nog niet vanzelfsprekend. In de jeugdhulp[1] zien we dat druk en impulsief gedrag nog steeds snel leidt tot een verwijzing en de vraag naar diagnostiek. De aandacht verschuift daarmee direct naar het kind, terwijl de omgeving vaak pas later of helemaal niet wordt meegenomen. Dit heeft ook alles met het geldende zorgsysteem te maken. Hulp wordt georganiseerd via een individuele hulpvraag, een verwijsbrief en een diagnostisch traject. Dat geeft duidelijkheid, maar vernauwt de blik.
Neem Joep, 11 jaar. Hij is druk, presteert onder zijn niveau en botst met leeftijdsgenoten. Ouders en school lopen vast. Via de huisarts volgt een verwijzing naar de jeugdhulp, met de vraag om onderzoek naar ADHD. Zo’n stap is begrijpelijk, maar laat zien hoe snel gedrag wordt vertaald naar een individuele diagnosevraag.
Daarmee dreigt uit beeld te raken wat er verder speelt. Scheiding, ziekte, docentwisselingen op school of overbelasting thuis kunnen een grote rol spelen. Als deze factoren niet worden meegenomen, wordt gedrag al snel gezien als iets dat vooral in het kind zit. Voor kinderen en gezinnen heeft dat (vergaande) gevolgen. Het kind raakt geïdentificeerd met het probleem, terwijl ouders blijven zoeken naar wat er thuis en op school moet veranderen. Dit dus met de kans dat er onderzoek komt, maar weinig duurzame verandering volgt, omdat de omgeving grotendeels hetzelfde blijft.
Daarom zou de eerste stap niet een individuele verwijzing moeten zijn, maar een meedenkgesprek. In zo’n gesprek verkent een orthopedagoog samen met kind, ouders, school en andere betrokkenen wat er speelt en wat er nodig is. Pas daarna komt de vraag, indien nog nodig, voor onderzoek.
Bij Joep zou zo’n meedenkgesprek kunnen laten zien dat de eerste winst niet zit in onderzoek, maar in zijn omgeving. Kleine aanpassingen kunnen al verschil maken: een docent die hem ’s ochtends even opzoekt om te vragen hoe het gaat, ouders die steun krijgen om thuis anders om te gaan met spanning, of betere afstemming tussen school en thuis. Juist daarmee kan gedrag veranderen.
Dat hulp zonder formele verwijzing mogelijk is, laat een pilot in Veendam zien. Daar is de jeugdzorg sinds 2023 anders ingericht. Op basisscholen en in huisartsenpraktijken is wekelijks een GZ-psycholoog of orthopedagoog-generalist aanwezig. Zo wordt het mogelijk om niet pas na een verwijzing te kijken wat er speelt, maar al eerder samen met ouders, school en huisarts te onderzoeken wat een kind nodig heeft. Uit de evaluatie blijkt dat deze werkwijze heeft geleid tot een sterke afname van het aantal verwijzingen naar (specialistische) jeugdzorg en tot kortere wachtlijsten. Daarnaast zijn in 2024 het aantal uithuisplaatsingen verminderd.
Vaak wordt gezegd dat een label nodig is om ondersteuning te krijgen. Dat is herkenbaar, maar botst met de bedoeling inclusief onderwijs en de decentralisatie van de jeugdzorg. Niet het label, maar de ondersteuningsbehoefte zou leidend moeten zijn.
Ook wordt gezegd dat een diagnose rust kan geven. Dat klopt. Maar wanneer een label het eindpunt wordt, stopt het verder kijken. Terwijl kinderen met dezelfde diagnose sterk verschillen in wat zij nodig hebben.
DSM‑classificaties ordenen gedrag, maar verklaren het niet. Hoogleraar orthopedagogiek, Laura Batstra, benadrukt dat classificaties in essentie niet meer zijn dan een optelsom van symptomen, zonder zicht op onderliggende factoren. Toch worden ze vaak als verklaring gebruikt. Daardoor verschuift de aandacht weg van gezin, school en omgeving, terwijl juist daar belangrijke aanknopingspunten voor verandering liggen.
Aangezien gedrag ontstaat in de context waarin een kind opgroeit, ligt het voor de hand dat ondersteuning dáár ook begint. Zeker in een tijd waarin specialistische jeugdhulp schaars is, is het logisch om eerst breder te kijken en pas daarna te verwijzen. Daarmee blijft specialistische hulp ook beschikbaar voor juist diegenen die dit nodig hebben.
Gedrag vraagt om meer dan een verwijzing. Het vraagt om een gezamenlijke verkenning van wat er speelt rondom het kind. Wie eerst wil begrijpen in plaats van diagnosticeren, moet die volgorde ook in de praktijk organiseren. Dit zodat Joep niet het label ADHD krijgt, maar zijn opvoedsysteem in zijn kracht komt te staan.
Tekst: Emma Stoute is werkzaam als orthopedagoog in de specialistische jeugdhulp en jeugd‑GGZ. Giaffa de Wolff is werkzaam als orthopedagoog in de specialistische jeugd‑GGZ. Anneloes Hak is als orthopedagoog verbonden aan een scholengemeenschap voor regulier voortgezet onderwijs. Emma, Giaffa en Anneloes zijn alle drie in opleiding tot orthopedagoog‑generalist.
[1] In deze column wordt onder jeugdhulp zowel de (specialistische) jeugdhulp als jeugd-ggz verstaan.