Breuken zijn goud waard: kintsugi als les voor hulpverlening en opvoeding

Wie de media volgt, zou denken dat trauma overal op de loer ligt. Van boeken over de eerste duizend dagen van een kind tot internetartikelen over intergenerationele patronen die generaties teruggaan—alles lijkt betekenisvol, alles potentieel schadelijk. Het idee dat moeilijke ervaringen diepe sporen nalaten, is niet nieuw. Maar de manier waarop we ermee omgaan wel.

 

Tijdens mijn werkervaring in de basis ggz viel me op hoe snel mensen willen ingrijpen als een kind iets naars heeft meegemaakt. En we bedoelen het heus goed. We willen onze kinderen beschermen, onze cliënten helpen, elkaar behoeden voor pijn. Maar ergens onderweg lijkt die zorg te zijn doorgeslagen in iets anders: een voortdurende alertheid op mogelijk trauma. Alsof het leven zelf een risico is geworden.

 

Hypernerveuze samenleving

 

De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving noemt het treffend: de hypernerveuze samenleving. Een samenleving waarin we steeds sneller onraad signaleren, steeds eerder ingrijpen en steeds minder verdragen. Waar spanning al snel problematisch wordt en ongemak bijna automatisch een diagnose krijgt. Want terwijl kennis over trauma toeneemt, lijkt ons vertrouwen in veerkracht af te nemen.

 

Dat is precies waar het wringt. Want cijfers laten iets anders zien: het grootste deel (90%!) van de mensen—ook kinderen—verwerkt ingrijpende gebeurtenissen op eigen kracht. Zonder langdurige klachten, zonder stoornis. Niet omdat het niets voorstelt, maar omdat mensen een enorm vermogen hebben om ingrijpende ervaringen te verwerken.

 

Toch reageren we vaak met een enorme haast. Iemand moet zo snel mogelijk in traumabehandeling, want anders staat het de ontwikkeling in de weg. En zo ontstaat een paradox. In onze poging om schade te voorkomen, vergroten we soms juist de kwetsbaarheid. En misschien is dat wel de kern van die hypernerveuze samenleving: niet dat er méér gebeurt, maar dat we er anders naar zijn gaan kijken. Met minder tolerantie voor onzekerheid, minder ruimte voor ongemak en minder vertrouwen in herstel.

 

Hoe leren we er anders naar kijken?

 

Misschien moeten we dus een andere vraag stellen. Niet: hoe lossen we trauma zo snel mogelijk op? Maar: hoe leren we er anders naar kijken? Daar komt een Japans begrip om de hoek kijken: kintsugi. De kunst om gebroken keramiek te herstellen met goud, waarbij de breuken niet worden verborgen, maar juist zichtbaar blijven—als onderdeel van het verhaal. Niet ondanks de schade, maar dankzij de schade ontstaat er iets nieuws. Niet als iets dat we moeten wegpoetsen, maar als iets dat we kunnen verweven in wie we zijn en iets wat we betekenisvol kunnen laten zijn. Niet als een fout in het systeem, maar als een ervaring die—hoe pijnlijk ook—betekenis kan krijgen. Geen focus op oplossen, maar op helen.

 

Dat vraagt iets van ons. Van professionals, van ouders, van de samenleving als geheel. Minder fixen, meer verdragen. Minder labelen, meer ruimte voor diversiteit in ontwikkeling. Minder angst, meer vertrouwen in de veerkracht die er al is.

 

Want misschien is de belangrijkste vraag niet of we breken. Maar wat we doen met de barsten.

 

Tekst: Renske Verhage werkt als orthopedagoog in de ggz en is in opleiding tot orthopedagoog-generalist.

 

About the Author /

j.smeets@nvo.nl

Alle artikelen