Kinderen groeien niet op in behandelkamers

In 2000 maakte één op de 27 kinderen gebruik van jeugdzorg. In 2025 was dat ongeveer één op de zeven. Minister Mirjam Sterk wil die groei terugdringen. Met het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wil zij specialistische jeugdhulp gerichter inzetten en meer vragen laten opvangen in de omgeving van kinderen, bijvoorbeeld door lokale teams en scholen.

 

Als orthopedagoog herken ik het probleem dat zij beschrijft. De jeugdzorg loopt vol. Daardoor moeten juist kinderen die specialistische hulp nodig hebben soms te lang wachten.

 

Toch moeten we ondersteuning in het gezin en op school niet zien als een lichtere versie van echte hulp. Juist daar ligt vaak de grootste kans op verandering. In de afgelopen jaren zijn we steeds meer gaan vertrouwen op individuele classificaties en de behandeling die daarop volgt. Problemen rond opgroeien worden daardoor al snel problemen van het kind, waarvoor een professional de oplossing moet bieden.

 

Daarmee onderschatten we de betekenis van de dagelijkse omgeving van een kind. Tegelijkertijd verwachten we van de specialistische jeugdzorg dat zij steeds meer problemen oplost.

 

We hebben daarom niet zozeer een kleinere jeugdzorg nodig, als wel een herwaardering van het pedagogische domein: het gezin, de school en de andere plaatsen waar kinderen dagelijks deel van uitmaken.

 

Zo ken ik uit mijn werk een leerkracht in groep 7 die een stil meisje een grote rol gaf in het kerststuk. Ook na de voorstelling bleef zij haar betrekken en liet zij merken dat haar bijdrage ertoe deed. Langzaam begon het meisje meer te vertellen, contact te zoeken en ruimte in te nemen.

 

Neem ook de voetbalcoach die bleef investeren in een puber die regelmatig boos werd en afspraken niet nakwam. Hij begrensde hem, maar stuurde hem niet weg. De jongen bleef onderdeel van het team en kreeg na een mislukte training opnieuw de kans om verder te gaan. Zowel de leerkracht als de coach kon juist verschil maken doordat zij het kind telkens opnieuw tegenkwamen, op gewone dagen en in echte situaties.

 

Natuurlijk kunnen we de verantwoordelijkheid voor opgroeien niet eenvoudig terugleggen bij ouders en leerkrachten. Zij zijn vaak al overbelast. Ernstige trauma’s, complexe ontwikkelingsproblemen en een onveilige thuissituatie vragen bovendien om snelle en deskundige jeugdhulp. Goede jeugdzorg is kostbaar en dat mag zij ook zijn.

 

Wie de toegang tot die zorg wil begrenzen, moet daar iets tegenover stellen.

 

De minister moet ervoor zorgen dat gezinnen en scholen eerder steun krijgen. Orthopedagogen en psychologen zouden niet pas beschikbaar moeten zijn nadat een kind is verwezen, maar ook opvoeders moeten kunnen ondersteunen voordat problemen vastlopen.

 

J.F.W. Kok, hoogleraar orthopedagogiek aan de Universiteit Utrecht, stelde al in de vorige eeuw dat de belangrijkste behandeling plaatsvindt in het opvoedingsproces zelf. Hij noemde het doelgericht veranderen van de relatie, het pedagogische klimaat en alledaagse situaties de eerstegraadsstrategie. Andere behandelingen kunnen nodig zijn, maar krijgen pas betekenis wanneer zij verbonden zijn met het dagelijks leven van het kind.

 

Kinderen groeien niet op in behandelkamers. Ze groeien in gezinnen, op school, op het veld en in de straat waar iemand vraagt: “Hoe gaat het echt met je?” Dat is geen vervanging van jeugdzorg. Het is de bedding waarin een kind leert vallen, opstaan en weer verder gaan.

 

De minister kan de poort naar de jeugdzorg niet smaller maken zonder de wereld daarbuiten sterker te maken. Wie de ontwikkeling van kinderen werkelijk wil versterken, moet investeren in de relaties en omgevingen waarin hun leven zich afspeelt. Niet als goedkope vervanging van zorg, maar als het hart van gezond opgroeien.

 

Tekst: Eileen Slobben is orthopedagoog en gedragswetenschapper bij het Centrum voor Jeugd en Gezin Oldebroek.

About the Author /

j.smeets@nvo.nl

Alle artikelen