
Geen smartphonevrije wereld voor mensen met een verstandelijke beperking, wél meer expertise om beter te begeleiden
In mei 2025 verscheen de brandbrief “Smartphone‑vrij opgroeien”, waarin ruim 1.400 artsen en deskundigen het kabinet oproepen tot heldere leeftijdsrichtlijnen: pas vanaf veertien jaar een smartphone; sociale media pas vanaf zestien jaar. Deze oproep richtte zich tot onder meer de ministers en staatssecretarissen van VWS, Onderwijs, Justitie & Veiligheid en Digitalisering. De ondertekenaars vroegen hiermee aandacht voor de schadelijke invloed van intensief schermgebruik op de gezondheid van kinderen, en voor de risico’s die hun kwetsbaarheid meebrengt in contact met de buitenwereld.
Wij werken als orthopedagogen met mensen met een verstandelijke beperking en herkennen de problematiek ook in deze groep. Sophie is een voorbeeld. Zij is 36 jaar oud, impulsief online aan het shoppen, raakt vast in advertenties en pop‑ups, en heeft moeite om de betrouwbaarheid van websites in te schatten. Hulp bij het inschatten van haar financiële grenzen ontbreekt, wat leidt tot stress en onrust. Wij zien voorbeelden als dat van Sophie steeds vaker bij mensen met een verstandelijke beperking.
Extra risico’s
De digitale wereld heeft de afgelopen tientallen jaren een steeds grotere rol gekregen in ons dagelijks leven. Voor mensen met een verstandelijke beperking brengt die digitale omgeving extra risico’s, meer misschien nog wel dan voor jongeren zonder verstandelijke beperking. Zij lopen grotere kans op misbruik, raken sneller overprikkeld, en hebben moeite om hun online gedrag te overzien. Tegelijkertijd slagen zij er – mede door hun levenservaring – soms sneller in om online contacten of informatie te vinden, die zij vervolgens niet goed kunnen beoordelen.
Wat volgens ons in Nederland nog ontbreekt, is een kader of richtlijn die begeleiders en zorgorganisaties kan ondersteunen bij het in een vroeg stadium begeleiden van smartphone en internetgebruik bij deze doelgroep, voordat problemen ontstaan.
Begeleiders in de zorg aan mensen met een verstandelijke beperking hebben behoefte aan vakinhoudelijke ondersteuning en expertise, omdat zij vaak niet weten hoe om te gaan met complexe digitale situaties. Een tweede voorbeeld ter illustratie: Pieter is 21 jaar oud en trekt zich steeds meer terug op zijn kamer, waar hij dag en nacht gamet en filmpjes kijkt. Het contact met zijn begeleiders verwatert, hij mist dagbesteding en zijn dag‑nachtritme ontspoort. Hij krijgt spellen aangeboden die niet passen bij zijn belevingswereld; dat frustreert hem. De begeleiders vragen zich af wat ze moeten doen. Ze willen hem graag beschermen tegen al deze negatieve invloeden. Maar om nou een smartphone te verbieden of af te pakken -zoals de schrijvers van de brandbrief voorstellen voor kinderen tot 14 jaar. Pieter is immers volwassen en gebruikt die smartphone ook functioneel. Maar wat dan wel?
Aangepaste richtlijn
Veilige apps, besloten digitale omgevingen en vaardigheidstrainingen in het regulier onderwijs – zoals de briefschrijvers van “Smartphone-vrij opgroeien” bepleiten – zijn waardevolle initiatieven. Maar deze zijn niet één-op-één toepasbaar bij volwassenen met een verstandelijke beperking. Een aangepaste richtlijn zou die bestaande initiatieven wellicht bruikbaar kunnen maken, mits de inhoud aansluit bij de belevingswereld van volwassenen met een verstandelijke beperking.
Spanningsveld
Voor zorgmedewerkers ontstaat in de praktijk vaak een spanningsveld. Aan de ene kant willen zij beschermen, zeker wanneer iemand – zoals Sophie of Pieter – in emotioneel opzicht functioneert op een jonger ontwikkelingsniveau. Aan de andere kant hebben mensen met een verstandelijke beperking het recht om volwaardig mee te doen in de samenleving. Dat recht is sinds 14 juli 2016 vastgelegd in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een beperking, en staat juist nu volop in maatschappelijke en politieke aandacht. Dit plaatst begeleiders voor een dilemma: te veel bescherming beperkt deelname en vergroot de kloof, terwijl loslaten juist kan leiden tot overvraging en risico’s.
Passende ondersteuning
Door een richtlijn te hebben met handvatten om in een vroeg stadium te kunnen handelen, kunnen begeleiders voorkomen dat het pas misgaat bij escalatie en dat er maatregelen worden toegepast in het kader van de Wet Zorg en Dwang. Passende ondersteuning voorkomt onnodige vrijheidsbeperking, behoudt autonomie en kan er voor zorgen dat mensen leren van situaties.
Wij pleiten daarom om samen met overheid, experts, orthopedagogen en mensen met een verstandelijke beperking zelf te werken aan een richtlijn. Niet bedoeld om levens kleiner te maken, maar om ze begrijpelijker, veiliger en leefbaarder te houden – met behoud van autonomie én begrijpelijke ondersteuning, op maat van het ontwikkelingsniveau.
Tekst: Janneke Lamper is in opleiding tot orthopedagoog-generalist en Nina Jans is orthopedagoog-generalist, beiden zijn werkzaam in de zorg aan mensen met een verstandelijke beperking.