Waarom moeten ouders steeds opnieuw bewijzen dat hun kind zorg nodig heeft?

Stel je voor: je bent ouder van een vijfjarig meisje met een beperking en een complexe zorgvraag. Jouw kind heeft ondersteuning nodig, maar die wordt telkens slechts tijdelijk toegekend. Elke drie maanden moet je opnieuw verantwoorden waarom jouw dochter nog steeds hulp nodig heeft. Dat kost niet alleen veel tijd en energie, het maakt ook onzeker: wat als de zorg straks niet wordt verlengd? Daarbovenop komt de pijn om steeds opnieuw te moeten benadrukken wat je kind níet kan.

 

Voor veel gezinnen die wij in ons werk ontmoeten, is dit dagelijkse realiteit. Gemeenten en zorgorganisaties moeten zorg verdelen binnen krappe budgetten. De neiging is dan groot om te kiezen voor kortdurende, goedkope interventies, ook wanneer de problemen juist langdurig en complex zijn.

 

Neem het eerder geschetste gezin. De zorgindicatie voor hun dochter geldt voor zes maanden. Na drie maanden start de verlengingsprocedure alweer: verslagen schrijven, evaluatiegesprekken voeren, formulieren invullen. En ondertussen draait het gewone leven door. Tot de laatste dag blijft onzeker of er wel verlenging komt. Kostbare tijd van ouders én professionals gaat verloren aan papierwerk, in plaats van aan het kind zelf.

 

De diepere oorzaak ligt in professioneel wantrouwen. Overheden en zorgverzekeraars vertrouwen niet op het oordeel van de behandelend orthopedagoog of arts. Zij eisen voortdurende onderbouwing en herbeoordeling – uit angst voor fouten of misbruik.

 

Het is tijd dat dit verandert. Niet om professionals te plezieren, maar om kwetsbare gezinnen te ontlasten. Vertrouwen in de zorgprofessional betekent voorrang geven aan het belang van het kind.

 

Een eerste stap om vertrouwen in professionals te herstellen is het maken van duidelijke en realistische afspraken over zorgtrajecten. Dat begint met langere indicaties: niet telkens drie of zes maanden, maar minimaal een jaar – en bij kinderen met blijvende of complexe hulpvragen liever twee tot drie jaar. Binnen zo’n periode worden de voortgang en doelen vanzelfsprekend geëvalueerd, maar dan in het kader van een zorgcyclus die gericht is op verbetering van de hulp, niet op het rechtvaardigen van een indicatie.

 

In de praktijk betekent dit dat gesprekken gaan over wat het kind nodig heeft om verder te komen – bijvoorbeeld meer zelfstandigheid of minder angst. De vraag is dan: werkt deze ondersteuning voor dit gezin? – in plaats van: is er nog recht op verlenging?

 

Zo krijgen zorgprofessionals de ruimte om daadwerkelijk te behandelen en voelen ouders zich gesteund in plaats van beoordeeld. Instanties mogen erop vertrouwen dat de professional zelf aan de bel trekt wanneer de zorg niet meer passend is. Zo ontstaat een gezonde balans tussen vertrouwen en verantwoordelijkheid, en blijft de aandacht waar die hoort: bij het kind en het gezin.

 

Het wantrouwen in professionals komt vaak voort uit de angst voor subjectiviteit: wordt er wel eenduidig gewerkt, lopen de kosten niet uit de hand? Vanuit die zorgen worden protocollen en controlemechanismen opgetuigd. Maar zorg is per definitie nooit volledig objectief. Ze vraagt altijd om professionele oordeelsvorming, ingebed in kennis, ervaring en ethiek. Orthopedagogen zijn hiervoor opgeleid, geregistreerd en gebonden aan de beroepscode van de NVO. Dat verplicht ons ook om hun oordeel te respecteren – en hen het nodige vertrouwen te geven.

 

In hun essay Ruimte voor vertrouwen laten Paul Frissen en collega’s van de Erasmus Universiteit zien hoe juist in domeinen als onderwijs en zorg sprake is van professioneel wantrouwen. Regels en controles worden opgetuigd om misbruik te voorkomen, maar maken maatwerk vrijwel onmogelijk. Beleidsmakers moeten de moed hebben dit patroon te doorbreken en het oordeel van de professional leidend te laten zijn, juist waar niet alles vooraf meetbaar of voorspelbaar is.

 

Sharon Stellaard van de Vrije Universiteit Amsterdam voegt daar in haar proefschrift Boemerangbeleid aan toe dat veel van die regels en controles zelf het product zijn van een eindeloze cyclus van reparaties: telkens worden nieuwe maatregelen ingevoerd om de onbedoelde effecten van eerdere regels te corrigeren. Zo stapelt de bureaucratie zich op, terwijl de regels hun oorspronkelijke doel al lang niet meer dienen.

 

De tijd die nu wordt besteed aan rapporteren, aanvragen en verantwoorden, gaat onvermijdelijk ten koste van begeleiding en behandeling. Voor gezinnen betekent dit langere wachttijden, minder continuïteit en een grotere mentale belasting. Zo veroorzaken instanties uiteindelijk precies datgene wat ze zeggen te willen voorkomen: kwetsbare gezinnen worden onnodig belast en geschaad.

 

Daarom is vertrouwen geen luxe, maar een voorwaarde voor goede zorg. Professionals willen hun tijd inzetten voor behandeling, niet voor papierwerk. Ouders willen zich gehoord en gesteund voelen, niet telkens opnieuw moeten bewijzen dat hun zorgen legitiem zijn. Het gebrek aan vertrouwen treft vooral de gezinnen die de zorg het hardst nodig hebben. Juist daarom is het tijd om de regels terug te brengen tot hun kern en het oordeel van de professional weer centraal te stellen.

 

Yanyee Chow, klinisch neuropsycholoog (orthopedagoog-generalist i.o.)

Willemijn van Roon, orthopedagoog (orthopedagoog-generalist i.o.)

Sandra Verweij, orthopedagoog (orthopedagoog-generalist i.o.)

Allemaal werkzaam in de gehandicaptenzorg.

 

 

About the Author /

m.buisman@nvo.nl

Alle artikelen